Remco Campert
Over de schrijver Remco Campert is op 29 juli 1929 geboren als enig kind van actrice Joekie Broedelet en dichter/journalist Jan Campert, die in 1943 onder onduidelijke omstandigheden om het leven kwam in het concentratiekamp Neuengamme. Remco Campert heeft zijn vader nauwelijks gekend, zijn ouders leefden al vanaf dat hij drie jaar oud was gescheiden. Door deze omstandigheid en het beroep van zijn moeder was er nauwelijks sprake van een gezins- of famlieleven. Zijn werk Prijzen
Op de middelbare school leerde Campert de latere schrijver Rudy Kousbroek kennen, met wie hij het tijdschrift Braak oprichtte. In 1949 ontvluchtten ze het benauwde culturele klimaat in Nederland en vestigden zich in Parijs. Daar bevonden zich ook jonge dichters en beeldend kunstenaars als Hugo Claus, Karel Appel en Lucebert. De saamhorigheid gaf Campert een speciaal gevoel, alsof hij eindelijk ergens bij hoorde, familie had.
Voordat hij zich in 1966 definitief in Amsterdam vestigde woonde Campert met zijn derde vrouw en twee jonge kinderen enkele jaren in Antwerpen: “Alles liep door elkaar. Mijn huwelijk ging mis, ik werd verliefd op een ander, had wel een paar vrienden, maar dat wás het dan ook. Een rommelige tijd.” (Interview op 30 januari 2004 in de Volkskrant.)
Remco Campert schrijft voornamelijk columns, korte verhalen, novellen en poëzie. Hij publiceerde zeven (veelal in omvang dunne) romans, waarvan Het leven is vurrukkulluk (1961) en Liefdes schijnbewegingen (1963) de bekendste zijn. Een liefde in Parijs is Camperts eerste roman in veertien jaar, na Gouden dagen uit 1990, door de auteur zelf bescheiden getypeerd als “een vertelling”.
Tamelijk snel na Een liefde in Parijs schreef Campert een nieuwe roman, Een satijnen hart (2006). Daarin is de wereldvermaarde (fictieve) schilder Hendrik van Otterlo de hoofdpersoon. De roman kan gezien worden als een grimmige tegenhanger van Een liefde in Parijs. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Van Otterlo naam als vernieuwend kunstenaar. Inmiddels is hij de tachtig gepasseerd. Als hij het overlijdensbericht van zijn grote liefde Cissy onder ogen krijgt, overziet hij zijn leven waarin alles om de kunst draaide. Relaties, ook die met zijn halfzus Bettina, waren bijzaak.
Zijn eerste serieuze gedicht schreef Campert in 1945. Regels die, zo vertelde hij in een interview met de Volkskrant, vaag te maken hadden met de dood van zijn vader. In Een liefde in Parijs komt dit gegeven in verhulde vorm voor. Richard Sanders, die dan nog Rik heet, ontdekt zijn schrijverschap als hij een gedicht schrijft dat vaag het beeld oproept van zijn moeder, die omgekomen is bij een auto-ongeluk dat “tot op de dag van vandaag gehuld [was] in geheimzinnigheid”. In 1999 publiceerde Campert de herinneringen aan zijn vader in Familie-album, een speciale uitgave van de CPNB ter gelegenheid van de Boekenweek. De tekst werd in 2004 herdrukt onder de titel Mijn vader.
Poëzie ziet Campert als de kern van zijn schrijverschap. Proza schrijft hij naar eigen zeggen voor de lol, als afleiding. Een criticus noemde zijn romans en verhalen eens superieure amusementsliteratuur: luchtig en virtuoos proza. Korte verhalen publiceerde hij onder meer in de bundels De jongen met het mes (1958) en Een ellendige nietsnut (1960). Met zijn poëzie wil Campert zich bewijzen en dat is hem gelukt: in 1979 kreeg hij voor zijn gehele dichtwerk de P.C. Hooftprijs.
Naast de P.C. Hooftprijs voor poëzie ontving Remco Campert verscheidene kleinere prijzen, waaronder de Reina Prinsen Geerligsprijs voor de dichtbundel Berchtesgaden (1953) en de Jan Campertprijs voor Met man en muis en Het huis waarin ik woonde (beide uit 1955). Zijn verhalenbundel De jongen met het mes (1958) werd onderscheiden met de prozaprijs van de gemeente Amsterdam.

